Manuscript

Scholten Uitgeverij

Hoe levert u het script aan?

 Een manuscript mag er bij inlevering NIET uitzien als een boek. Daar zorgt de vormgever voor. Bij het manuscript gaat het in eerste instantie om de tekst, het verhaal dat wilt u vertellen. Natuurlijk wilt u als schrijver wél dat de structuur van uw boek en de accenten in de tekst duidelijk zijn voor de lezer. Houd daarvoor deze richtlijnen aan:

Uw manuscript is een doc. of docx.-bestand (wij accepteren geen pdf). Belangrijk is dat u de tekst typt in de tweede modus (AaBbCcDd ¶Geen afstand). Kies een leesbaar lettertype: arial, calibri of times new roman, in corps 11. En kies voor links uitlijnen. Het is belangrijk dat deze drie instellingen JUIST zijn.

Spring niet in, ook niet aan het begin van een alinea. Gebruik zo min mogelijk tabs.

Gebruik geen witregel aan het einde van een alinea, maar alleen als er een nieuw onderwerp wordt aangesneden of bij een nieuw tekstonderdeel.

Begin een nieuw hoofdstuk altijd op een nieuwe pagina.

Wilt u een brief, email of iets anders opnemen in uw verhaal dan geeft u dat aan door het cursief te maken of bold.

Plaats citaten tussen enkele aanhalingstekens. Als u binnen een citaat nog eens iets of iemand wilt aanhalen, gebruik dan dubbele aanhalingstekens. De enkele aanhalingstekens gelden ook voor dialogen.

Er zijn geen eenduidige regels voor het weergeven van een dialoog. Maar we kunnen het volgende afspreken: belangrijk is dat u in uw script alle dialogen op dezelfde manier schrijft. Dat is voor de lezer het duidelijkst. De regel is dat een nieuwe spreker op een nieuwe regel begint. Maar soms wilt u iets tussenvoegen, informatie over de omgeving of de spreker. Zolang dezelfde spreker doorspreekt, kunt u die informatie gewoon aansluitend geven. Zelfs de spreker aansluitend laten doorpraten. Zolang maar duidelijk is wie er spreekt.

Voorbeeld:

De zuster neemt hen hoofdschuddend op. Ze kijkt naar tante Els en, wijzend op oom Henk, vraagt ze spottend: ‘Is dat uw man?’
Tante Els wijst met haar duim naar oom Henk. ‘Ik heb geen man. Dat is een klein kind,’ zegt ze verontschuldigend.
‘Mevrouw, dan wens ik u veel sterkte.’
Tante Els knikt. ‘Dank u’.
En nadat de zuster haar glimlachend een knipoog geeft, mogen ze bij Daniël op bezoek.
‘Ha, tante Els!’, roept haar neefje enthousiast.
‘Hoe gaat het, jongen?’
‘Ik mis mama.’ Daniel heeft moeite om zijn tranen in bedwang te houden.

Schrijf levensechte, gevarieerde dialogen.

Besteed aandacht aan spelling, grammatica en interpunctie.

Zorg ervoor dat je woorden en begrippen consequent op dezelfde manier schrijft.

Houd bij spellingsvraagstukken het ‘Groene Boekje’ (www.woordenlijst.org) aan en als het woord daarin niet is vermeld, raadpleeg ‘De grote Van Dale’ (www.vandale.nl).

Voor de spelling van landen en plaatsnamen gebruikt u de ‘Bosatlas’.

Schrijf actief dus bijvoorbeeld in de tegenwoordige tijd en zonder veel ‘hebben’, ‘zouden’, ‘kunnen’ en ‘worden’ constructies. Schrijf beeldend alsof het verhaal zich voor uw ogen afspeelt. En let op dat u geen mensen opvoert die anderen gaan vertellen over wat er gebeurd is, waarvan u dan weer een verslag gaat schrijven. Ga met een flashback terug naar de werkelijke gebeurtenis.

Vermijdt het gebruik van ouderwets Nederlands. Woorden als ‘nochtans, weder, echter, toentertijd, desalniettemin.’ houden het leestempo op. Let vooral op het VEELVULDIG gebruiken van woorden als ‘maar’, ‘toen’, ‘want’, ‘dus’, ‘weer’, ‘al’ en ‘wel’. Dit zijn ogenschijnlijk normale woorden maar als u uw eigen verhaal hardop voorleest zult u merken dat het ‘stopwoorden’ zijn die gaan irriteren. Gebruik ze spaarzaam en kritisch.

En ten slotte: neem uw tijd voor een manuscript, werk zorgvuldig, controleer uw script voordat u het opstuurt met de spellingscontrole, daarmee spoort u de meeste – niet alle, helaas – tik- en spelfouten op. De corrector zal de tekst redigeren, fouten – die er onvermijdelijk insluipen – eruit halen en eventueel zinnen aanpassen als ze onduidelijk of schrappen als ze overbodig zijn. Zo zetten we samen in nauw overleg de puntjes op de i. En de vormgever maakt er uiteindelijk een mooi boek van zoals u het bedoeld heeft.

Nog enkele aanvullende richtlijnen voor een manuscript van een studie- of non-fictieboek:

Geef koppen van dezelfde hiërarchie op dezelfde manier aan.

Voeg geen automatisch gegenereerde inhoudsopgave in.

Geef noten aan met vierkante haken [1] en lever de tekst van de noten aan in een apart bestand.

Voorzie illustraties van een duidelijke naam en geef in de tekst aan waar ze moeten komen. Lever ze aan in aparte bestanden, niet als Word bestand maar in het format waarin ze zijn gemaakt: JPG, Gif of Tif bijvoorbeeld. Voor een goed drukresultaat moet de resolutie minstens 300 dpi zijn.

Sorteer een literatuur- of bronnenlijst alfabetisch op achternaam van de eerstgenoemde auteur. Organiseer literatuurvermeldingen als volgt:

Boek: Begin met de achternaam van de auteur, daarna de titel cursief, plaats van uitgave, gevolgd door jaar van uitgave.

Voorbeeld: Hoppenbrouwer, J. en S. Oud, Over de dijk, Zwolle, 2006.

Artikel: Begin met de achternaam van de auteur, daarna de titel van het artikel tussen enkele aanhalingstekens, in tijdschrifttitel cursief, jaargang, nummer, pagina’s, plaats van uitgave, gevolgd door jaar van uitgave.

Voorbeeld: Hazelnoot, A., ‘Thema Week van de Poëzie: de eerste liefde’, in: Boekblad, jrg. 5, nr. 6 (p. 2-4), Amsterdam, 2008.

Bij het citeren van Bijbelteksten geeft u aan welke vertaling u gebruikt, als dat steeds dezelfde uitgave is kunnen we dat het beste in de colofon opnemen.

Voorbeeld: ‘Beproef alle dingen, behoud het goede.’ 1Thessalonicenzen 5:21 (HSV)